Monpazier
Op een vroege maandagochtend in maart heb ik een afspraak met Maurice. Deze gepensioneerde restauranthouder gaat mij een rondleiding door Monpazier geven. Hij kent dit kleine vestingstadje als zijn broekzak.
We hebben afgesproken in het café voor de linker ingangspoort. De man is begin zeventig en groot voor een Fransman. Zijn lichtblauwe ogen verraden genen uit het noorden van Europa. Zijn grijze haar is lang en hij heeft een snor en baardje. Maurice lijkt door zijn uiterlijk op iemand van een paar eeuwen terug en lijkt me daardoor de uitgelezen persoon voor een rondleiding door een middeleeuws stadje. Hij staat erop dat ik hem “Momo” noem: Fransen hebben de gewoonte om uit genegenheid, als vrienden onderling, namen af te korten. Zo ken ik bijvoorbeeld iemand die Philippe is genoemd door zijn ouders, maar door het leven gaat als “Fifi”. Moeilijk om iemand serieus te nemen die hetzelfde wordt genoemd als het hondje van de buurvrouw … Dat terzijde.
Maurice komt naast me zitten en bestelt twee koffie. Het meisje van het café lijkt hij goed te kennen. Over de herkomst van de naam Monpazier, vroeger Montpazier, bestaan twee theorieën volgens Maurice: Sommigen denken dat het is afgeleid van het latijnse MONTPACIARIS, Mont de la Paix in het Frans en berg van de vrede in het Nederlands. De naam zou gegeven zijn in de dertiende eeuw toen het volk vrede en bescherming wenste, wat de reden was van de stichting van Monpazier. Anderen denken dat de naam Monpazier is afgeleid van het Latijnse MONTI PASERII, Mont sur laquel on passe, oftewel: berg waar we overheen trekken. Volgens Maurice is pas aan het eind van de negentiende eeuw de letter “t” verdwenen, waardoor Montpazier, Monpazier werd.
Monpazier is een
Een stukje geschiedenis:
Henri Plantagenet (1133-1189) huwde in 1152 Eleonora van Aquitaine. Toen hij als Henri II in 1154 koning van Engeland werd, begonnen de problemen. Hij was ook leenheer van Aquitaine en daardoor werd Engels bezit in Frankrijk verworven. Tussen de Middellandse Zee en Atlantische Oceaan werd toen de macht verdeeld door de koning van Aragon, de graaf van Toulouse, de koning van Engeland en de hertog van Guyenne. Eerst Koning Henri II en later zijn troonopvolger Edouard I, hebben hun invloed in dit gebied langzaam maar zeker versterkt.
Er ontstond een eeuwen durende machtstrijd tussen de Engelse en de Franse koningen, die uiteindelijk overging in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453). In deze Honderdjarige Oorlog, die feitelijk meer dan honderd jaar duurde, is Jeanne d’Arc bekend geworden door haar invloed.
Door de behoefte van het volk aan orde en veiligheid werden op diverse plaatsen, verspreid door het land, bastides gebouwd. Vaak was voor een bastide de plaats in het landschap zó gekozen dat deze zich gemakkelijker laat verdedigen. Zo koos men bij de stichting vaak voor een heuvel, een plateau of een rivieroever.
Monpazier is gesticht in het jaar 1284 onder de heerschappij van de koning van Engeland, Edouard I. De bastides werden opgebouwd volgens een vast concept en Monpazier staat te boek als voorbeeldgemeente voor de overige 300 bastides in het zuidwesten. Ze onderscheiden zich door een regelmatig, bijna altijd rechthoekig stratenpatroon, zoals dat bij de Romeinen al bekend was. Een bastide werd meestal gebouwd met in het hart een plein met een centrale functie. Daarop staat vaak een markthal. De panden rondom het plein zijn bijna altijd winkels. In veel gevallen bevindt zich voor die winkels een arcadegalerij.
Verdedigingstoren
De kerk, die in dit concept minder belangrijk was, staat dan ook niet altijd aangrenzend aan dit centrale plein. Vrij veel bastides waren ommuurd en ook de kerk werd soms verdedigbaar opgebouwd. Kerken hadden echter vaak een functie bij het verdedigen van de bastide. Bij de verdediging van de bastide was de kerktoren van belang vanwege zijn hoogte. Men kon vanaf de toren de omgeving overzien. Zo onderhield men vanaf de toren contact met omliggende burchten. Kerken hadden regelmatig de functie van donjon, een verdedigingstoren. Daarom doen een aantal van de kerken zowel als kerktorens in sommige bastides een beetje plomp aan. Ook de kerkklok kon worden gebruikt. Daarmee was een duidelijk signaal af te geven, hoorbaar tot ver in de omgeving.
De kerkleiders moesten ook bescherming bieden aan de inwonenden van hun gebied. Landstreken waren verdeeld in kleinere eenheden. Indertijd waren er kerkelijke heren, of wereldlijke heren die een bepaald gebied beheersten. Aan de grenzen van rechtsgebieden, finages, staat op kruispunten van wegen vaak nog een kruis. Dat markeerde het begin van het gebied van de kerk. In feite gaf het de reiziger aan dat hij op kerkelijke grond binnenkwam. Ook een eventuele aanvaller wist dat de heer van dit gebied geen man met een leger was, die tegen hem ten strijde zou trekken. Voorheen kerkelijke gebieden worden heden ten dage nog herkend doordat de plaatsnaam met bijvoorbeeld Saint begint, dat heilige betekent.
Voor het innen van belasting bij het verhandelen van grondstoffen, goederen en levende have, waren de bastides belangrijke plaatsen. Inhoudsmaten, tonnen en weegschalen werden gebruikt voor het bepalen van de te betalen belasting. Op het marktplein van Monpazier zijn er drie te zien.
Privileges werden verbonden aan de grond en inwoners, maar waren niet persoonsgebonden. Oude privileges en gewoonten leven nog steeds in sommige bastides.
Verschillende gemeenten hebben in hun naam het woord bastide. Deze zijn in het verleden dan ook als bastide opgebouwd. Vele andere gemeenten zijn eveneens als bastide gesticht, ook al is dat niet in de plaatsnaam te herkennen. Niet alleen qua naam zijn verscheidene oude bastides in de Sud-Ouest niet meer te herkennen, maar ook de andere kenmerken zijn soms niet of nauwelijks meer waarneembaar. De meeste gemeenten zijn zodanig uitgebreid dat alleen het centrum als de voormalige bastide kan worden aangemerkt. De plaats van de poorten zijn vaak nog terug te vinden.
Graaf zonder hoofd
Wanneer de koffie op is, staat Maurice erop dat hij degene is die betaalt. Even later houdt hij galant de deur voor me open waarna de rondwandeling begint. We lopen linksaf voor de linker toegangspoort langs, la porte Notre Dame en volgen de stadsmuur. Tegenover de hoek van de muur ligt een vredige wasplaats, een zogeheten Lavoir, waar in vroeger tijd, zelfs tot na de oorlog, de vrouwen hun kleding en lakens kwamen wassen. Een kleine straal komt uit de muur van een ornament en voedt het bassin. Ik kan me levendig de gezellige drukte voorstellen van babbelende vrouwen die de laatste nieuwtjes uitwisselen met elkaar. Stevige sterke armen die het linnengoed van boven naar beneden wrijven over de randen van de wasplaats. Het is haast alsof ik de geur van pure zeep en natte lakens kan ruiken. Menig hoogbejaarde inwoner van Monpazier zal er de wasmanden van zijn of haar moeder hebben helpen dragen …
We slaan rechtsaf de hoek om van de stadsmuur en zien na een tijdje een fontein met een dunne straal uit een pijpje in de muur komen. La fontaine des amours staat er op amateuristische wijze in het gele kalksteen gebeiteld. Momo legt even een hand op mijn arm en vertelt, met een geheimzinnige glimlach achter zijn snor, dat verliefde paartjes elkaar hier ontmoetten. Aan zijn glimlach en ondeugende blik in zijn ogen te zien, vermoed ik dat hij ervaringsdskundige is.
We volgen de stadsmuur en zien boven op de muur een enorm pand met blauwe luiken en een toren opdoemen. Dit is een Maison de Site vertelt Momo: het is een huis dat dateert uit de dertiende eeuw en op een panoramapunt is gebouwd. Ooit was het een opvanghuis van de kerk voor oude van dagen en later een school. Vanaf onze positie kijken we tegen de achterkant van het gebouw aan. De weg wordt hier iets slechter en gaat omhoog; hij pakt me bij de arm om me te ondersteunen. Wie ondersteunt wie denk ik gniffelend. Het uitzicht links is prachtig: omdat het stadje zo hoog ligt kun je op een heldere dag als deze ver de omgeving overzien.
We lopen weer een hoek van de stadsmuur om en komen zo aan de zuidkant van Monpazier. Hier slaan we onder een kleine torenpoort door de tweede straat rechts in: de rue Saint Jaques. Dit is een van de twee hoofdaders die de
Onze voeten hebben ons tot halverwege de straat gebracht; we staan voor de entree van het Hotel de France. Momo vertelt dat hij, tot 11 jaar geleden, eigenaar was van dit hotel/ restaurant met allure. Zijn stem galmt door de stille smalle straat. Trots voegt hij eraan toe dat hij hier vele nationale beroemdheden heeft mogen ontvangen. Hij wijst me op een sluitsteen boven een deur met een gebeeldhouwde coquille Saint Jaques erin. Deze deur was dichtgemetseld toen hij het pand kocht, maar Momo heeft, met respect voor de oudheid, de deuropening weer in ere hersteld. In het steegje links naast het Hotel is een uitgehouwen salamander op de muur te zien. Dit is het embleem van François I (renaissance). L’Hotel de France was van origine de verblijfplaats van de graaf van Biron, de bouwer van het gelijknamige kasteel een aantal kilometer verderop. In de zaal van het restaurant waren van origine de stallen van de graaf en de twee etages waren zijn wachtzalen, vertelt Maurice. ‘Er loopt zelfs een onderaardse vluchtgang van kasteel Biron naar Monpazier’ fluistert hij . Bij een aanval konden de mensen van het kasteel en de eigenaren naar Monpazier vluchten. De graaf van Biron verried de toen heersende koning Henri IV tot twee maal toe. De eerste keer vergaf hij de graaf, maar de tweede keer scheidde de koning hoofd en lichaam van de graaf. Een legende vertelt dat de graaf ieder jaar, in de nacht van 31 juli, over de kantelen van zijn kasteel loopt met zijn hoofd onder zijn arm ...
Verliefd
Momo neemt me mee tot halverwege de straat waar we op het marktplein uitkomen, de
centrale plaats van Monpazier. Tussen elk huis en dat ernaast is een smalle spleet te zien. Maurice vertelt me dat die kieren als brandwering dienen en les endronnes worden genoemd. Ik blijf even stil staan en neem het beeld van het vierkant met authentieke huizen zorgvuldig in me op. Ieder huis is anders, heeft zijn eigen karakter. De huizen met ramen met een kruisvorm erin zijn het oudst, die met pilaartjes en klavervormen van later datum vertelt Maurice. Toch is Monpazier als bastide nog zeer authentiek. Bij het binnenrijden van de dorpsgrens staat een bord met daarop: l’un des plus beaux villages de France, een van de mooiste dorpen van Frankrijk. Met recht vind ik: het stadje zindert van de herinneringen en de muren fluisteren over een bewogen geschiedenis. Gedurende zevenhonderd jaar heeft Monpazier haar ziel weten te behouden; ondanks de tand des tijds, de vernielingen van de honderdjarige oorlog en de twee wereldoorlogen. Ook Momo staat rond te kijken alsof hij voor het eerst op het plein van kleine keien staat. Geroert zegt hij: ‘Ik herinner me nog goed de eerste keer dat ik hier op het plein stond: ik ben verliefd geworden op deze plaats zoals op een vrouw, met het verschil dat de liefde voor een vrouw verdwijnt en die voor het plein blijvend is …’
Het geometrische en geografische centrum van het oudste stadsgedeelte staat op het midden van het plein; de zogenaamde Pal. Op 7 januari 1284 vond er een ceremonie plaats die het begin van de stichting van Monpazier aanduidde. Er werd toen een lange gepelde sparrestam in het midden van een uitgeslepen ronde steen geplaatst.
Op het plein worden, net als vroeger, nog steeds markten georganiseerd. De reguliere markt wordt iedere zondag gehouden en verder zijn er de gelegenheidsmarkten zoals rommelmarkten, antiekmarkten, truffel- en paddenstoelenmarkten. In vroeger tijd speelde de markt zich vooral af onder de overdekte markthal, la halle. Ik ben steeds weer onder de indruk van timmermanskunst van zulke overdekte marktplaatsen. Het kastanjehout van de halle van Monpazier dateert uit de veertiende eeuw en rust op drie rijen pilaren die op hun beurt op stenen voeten staan. Er is een lange stenen toonbank van gele zandsteen bewaard gebleven. Erop staan drie boisseaux, vroeger waren het er vier en waren ze van hout. Deze inhoudsmaten werden op markdagen gebruikt om bijvoorbeeld hoeveelheden graan te meten. Op dagen dat er belasting moest worden betaald dienden ze om het percentage van de oogst te meten dat moest worden afgestaan aan de leenheer van de boeren. Het plein telt een aantal houten bankjes die opgesteld staan langs de rand van de arcaden. Op een ervan zitten twee oude dametjes te keuvelen met de hoofden naar elkaar toegebogen; een mooi plaatje dat ik opsla in mijn hoofd.
Op iedere hoek van het plein is een doorgang, een cornière. Elk is anders van vorm en uiterlijk, maar breed en hoog genoeg om een ruiter door te laten. Helaas zijn ze in veel bastides gesloopt om de doorgang te verbreden en zo auto’s toegang tot het plein te geven. Hier in Monpazier zijn ze prachtig bewaard gebleven. De peilers van de cornières ondersteunen de eerste etage van de huizen. In de cornière die doorgang biedt naar de kerk is een grote schelp gehouwen, een coquille, dit teken symboliseert voor de pelgrims de weg naar Santiago de Compostella.
Kattenkwaad
Momo wil me nog iets laten zien en daarvoor moeten we nog even terug naar de hoek vanwaar we het plein opstapten. Onder de cornière door gaan we rechtsaf en nemen de eerste straat links: rue Saint Pierre. Halverwege deze straat aan de rechterkant is een smalle tunnel waar Momo me zachtjes in duwt. Wanneer we weer in het daglicht stappen staan we aan de buitenkant van de stadsmuur. We zijn zojuist door la porte du paradis gelopen. Maurice vertelt dat deze doorgang van origine gebruikt werd om afvalwater uit de bastide af te voeren. Maar ze heeft haar naam gekregen doordat bedienden uit de omgeving heimelijk door deze deur het dorp binnendrongen; voor hen het paradijs. Momo vertelt dat hier aan de oostzijde van Monpazier ook ergens de vluchtgang vanuit het kasteel Biron boven de grond komt. Ik kijk rond in de ijdele hoop een glimp op te vangen van een half vergaan deurtje of gat: tevergeefs. We maken rechtsomkeert en volgen de weg naar binnen in de richting die de bedienden ooit volgden, ik ga er zowat van fluisteren en sluipen.
Momo loopt voorop en neemt me mee door allerlei kleine straatjes waarin ik algauw mijn gevoel van richting verlies. Monpazier telt een heleboel van deze kleine stegen, les carreyrou in het Frans. Vroeger waren die stegen ook nog eens verbonden door dwarsstraatjes, maar die zijn door de tijd heen stuk voor stuk dichtgemaakt door huizeneigenaren die meer privacy in hun tuintje wensten of een stukje aan hun huis wilden bouwen. In gedachten zie ik een groepje straatjochies van eeuwen geleden schaterend voorbij rennen en om een hoek verdwijnen, op de vlucht doordat ze ergens kattenkwaad uit hebben gehaald.
Weer terug op het marktplein lopen we onder de arcaden door. Daar slaan we even rechtsaf onder de eerstvolgende cornière door waar Maurice me wijst op het wapenschild van Monpazier in een nis boven de Mairie, het gemeentehuis. Weer terug op het marktplein vervolgen we onze weg onder de arcaden door. De onregelmatige plafonds van de woonruimten boven de arcaden zijn een eldorado voor zwaluwen: waar je ook kijkt zie je de lemen nestjes hangen. Het is maandag en het stadje is uitgestorven. De slager, mini-supermarkt, juwelier, kledingzaken, boekhandel, fotowinkel en souvenirwinkels zijn stuk voor stuk gesloten. Alleen de bar tabac is open. Op het terras is een kereltje met een alpinopet scheef op zijn hoofd druk in de weer met een aantal krasloten. Aan zijn teleurgestelde gezicht is te zien dat het vandaag wéér zijn geluksdag niet is.
Na het passeren van de cornière met de schelp komen we voor het voorportaal van de kerk te staan. De kerk doet door zijn hoogte en robuustheid streng aan, vind ik. Maurice vertelt dat toen de pest heerste in de vijftiende eeuw, de dode kinderen rechts van de deur werden gelegd en de lijken van de volwassenen links van de deur. Eens in de zoveel tijd werden ze daarvandaan afgevoerd met een kar. De rijke mensen hadden geld om een degelijk graf te kopen; de begraafplaats was ooit links naast de kerk. Heden ten dage is het een pleintje dat als parkeerplaats dient; je kunt er nu je auto parkeren bovenop iemand zijn betovergrootmoeder …
Tijdens de Franse revolutie in 1789 is de kerk deels verwoest geweest. Bij de herbouw is er
een deel aan de kerk toegevoegd, zo verteld Momo. De beschermheilige van de kerk is Saint Dominique, grondlegger van de stedelijke orde der Dominicanen in 1217. De plattegrond van de kerk is in de stijl van de cisterciënzers: een eenvoudig schip op drie bovengalerijen, een plat gedeelte achter het koor, muurklok en een verdedigingskamer boven het koor. De kapitelen van romaanse pilaren laten op het zuiden dieren zien die de hel symboliseren en op het noorden engelen, de hemel. Een andere bijzonderheid is dat aan de buitenzijde van de kerk bovenaan de schoormuren gargouilles, waterspuwers, bevestigd zijn die niet als zodanig dienstdoen. Terwijl ze wel aan echte gargouilles doen denken.
Maurice wordt aangesproken door een man zonder tanden op een fiets, de twee nemen uitgebreid de tijd voor een praatje en lijken te vergeten dat ik er ook bij sta. Heerlijk dat gemoedelijke van hier, gaat er door mijn hoofd. Momo past zich aan aan zijn gesprekspartner en vervalt in het streekdialect, le patois. Ruim tien jaar in deze streek wonend kan ik dat al behoorlijk verstaan, hoewel ik niet echt mijn best doe om hun gesprek te volgen.
Schuin tegenover de kerk in de rue Notre-Dame, staat het Maison de Charpitre, ook wel Grange aux dimes, oftewel tiendschuur genoemd. Hierin werd het graan, dat als belasting betaald werd, opgeslagen. Het is het hoogste gebouw van Monpazier en tevens het oudste (1292). De imposante gevel wordt verlicht door de raamopeningen die twee aan twee zijn ingezet op drie niveaus. In de gevel zijn kleine openingen voor de stadsduiven te zien. Heden ten dage is er een bakkerij met theesalon op de begane grond van het gebouw gevestigd.
De stad en het platteland
De man op de fiets heeft zijn weg inmiddels vervolgd en wij slenteren de straat uit richting de rechterpoort aan de noordkant. Deze poort wordt la porte de Saint Jaques genoemd, naar de straat waaraan ze toegang geeft. De stadsmuur telt van origine zeven poorttorens, waarvan er drie bewaard zijn gebleven. De vier belangrijkste bevonden zich in het noorden en zuiden van het stadje; toegang gevend tot de hoofdwegen van de bastide. Aan de zuidkant is slechts één toren bewaard gebleven, ten noorden twee. De kleinere zijingangen, ooit ook torens, zijn oost en west gesitueerd. Wanneer we onder de poorttoren staan, is aan de uitsparing in de toren goed te zien dat er in vroeger tijd ooit een valhek in heeft gezeten. De oude deurhengsels steken werkeloos uit de muur, terugverlangend naar de monumentale houten deuren die ze ooit gedragen hebben ...
In de veertiende eeuw was er zelfs een gracht met een ophaalbrug weet Momo te vertellen. De gracht is lang geleden gedempt en op die plek waar vroeger water het stroomde is nu gras gezaaid. De zeven poorten, de gracht en de stadsmuur, die aan de binnenzijde omringd was met een rondweg, vormden tezamen de verdediging van het vestingstadje.
De doorgang van la porte de Saint Jacques is in vroeger tijd verlaagd: ooit was de doorgang even hoog als de linkerpoort, la porte de Notre Dame. De poort bestaat uit puntige bogen met aan de binnenzijde dezelfde vorm, maar dan iets lager. Hierdoor lijken de poorten van buitenaf hoger dan vanaf de bastide zijde. De sluitsteen, voute genaamd, is aan de onderkant afgerond.
Van origine waren de poortorens Saint Jacques en Notre Dame geheel open aan de binnenzijde van de stad. Op de twee etages waren mechanismen gebouwd voor het bedienen van het valhek met de gemene punten. Ook konden er emmers met stenen, die voor de verdediging dienden, naar boven worden gehesen.
In de architectuur van de bastide is een deur niet alleen om doorgang te verlenen, maar tevens een grens tussen binnen en buiten; een ontmoeting tussen twee werelden: de stad en het platteland.
Momo heeft me alles verteld en laten zien wat hij wilde; we verruilen de stad voor het platteland en nemen hartelijk afscheid.
Ik rij niet meteen naar huis, maar volg eerst nog de weg richting le Chateau de Biron. Ik heb het kasteel vaker gezien, maar ben weer onder de indruk wanneer ik het tussen de bomen door op zie doemen. Hoog en trots staat het kasteel op zijn heuvel, uitkijkend over de valleien rondom. Ik volg de weg tot vlak onder de burcht en blijf even staan kijken, waarna ik naar boven het pleintje op loop om een kop koffie te gaan drinken. Helaas is de auberge ook dicht op maandag. Het kasteel en zijn omgeving zijn uitgestorven; geen mens te zien. Ook niet één met het hoofd onder de arm ...
SchrijfsterDanielle van Duijn is de schrijfster van het boek "VerhalenderWijs". Hierin beschrijft zij hoe ze door het wonen in la douce France steeds wat wijzer is geworden. Over zichzelf, het buitenleven, het volk, het land, de verschillen met Nederland en het leven in het algemeen. Soms door schade en verdriet, maar bovenal met verbazing en plezier. De belevenissen uit haar nieuwe leefwereld heeft zij naar waarheid en in chronologische volgorde aan het papier toevertrouwd. Dit boek is het resultaat! Het boek bestaat uit 88 korte verhalen, telt 292 bladzijden en is geïllustreerd met cartoons. Bestel het boek van Danielle hier.






